Zoetermeer, december 2015
Jaap.vdvlugt@gmail.com
Op weg naar Apricot Beauty; door Jaap van Bart: een verhaal dat niet is gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek. Het is gebaseerd op belangstelling, enig onderzoek, verhalen zoals mijn vader en zijn familie die ooit vertelden, eigen herinneringen, een paar keer ome Jan als gids, een beetje lef ook om de dingen op te schrijven. Beschouw het als verhalende geschiedenis
Enkele verbeteringen n.a.v. reacties
Het is fijn en ook nodig dat er oplettend gekeken wordt naar wat ik schrijf. Het geheugen is altijd secuur en ook op het internet is niet alles in orde wat er staat. We hebben er baat bij dat beweringen en verhalen meer dan een beetje kloppen.
Gelukkig hebben we wel een secure lezer in ons midden, Ome Jan van der Vlugt, de jongste broer van vader Bart. Prachtig toch.
Hij heeft gezien dat ik het geboortejaar van onze Oma Coba van der Vlugt Nijssen niet juit heb weergegeven. Zij is geboren in 1884, op 4 mei, en niet zoals er stond 1883. Ik heb het in de stukken al gecorrigeerd. Dus voor een eventuele latere uitgave in kleine kring van het geheel is er al verbetering toegepast.
Een tweede dingetje loog er ook niet om: vaak zoek ik op het internet bevestiging van de dingen die ik wil schrijven. Soms vind ik er gewoon informatie die ik nodig heb. Maar het internet is ook soms niet eenduidig. Zo vond ik, nadat deeltje 5 de deur uit was, op een site preciezere informatie over het gezin van (bet)overgrootvader Bart en (bet)overgrootmoeder Agatha van der Vlugt. De ouders van opa Dirk blijken een dochtertje te hebben gehad als eerste kindje dat na ruim elf maanden is overleden. Opa Dirk had dus eigenlijk twee zussen van wie er eentje al heel vroeg is overleden. Het meisje heette Anna Margaretha, ze is geboren in oktober 1865 en overleden op 4 september 1866. Dit werpt nog een ander licht op het gezin van Opa Dirk. Hij maakte als nakomertje het gezin niet compleet, maar weer wat completer. Het deed iedereen goed om nog zo’n klein mannetje om zich heen te hebben.
Op deze website staat ook nog eens welke broers en zussen onze oma Coba van der Vlugt Nijssen had en wanneer er één van hen is overleden. Het hoort wel bij die tijd dat zuigelingen en kraamvrouwen risico’s liepen om het niet te overleven, maar als je het zo ziet is het toch schrijnend.
Hoofdstuk 2: Van wie zijn wij er eentje? Waar komen we vandaan? (Vervolg 1)
Landbouwer Nijssen en zijn gezin.
Jacob Nijssen, de vader van onze oma van der Vlugt, was een landbouwer te Schoten. De bekroning op zijn landbouwbedrijf was in 1877, toen Jacob Nijssen een werf, een huis, Weltevreden genaamd, een schuur en een stuk land kocht aan de Rijksweg in Santpoort. In 1902 werd nog een huis ernaast gebouwd. (Nooitgedacht)
Eerder zagen we al dat Jacob Nijssen 13 kinderen kreeg en er helaas 5 moest verliezen bij de geboorte of enige tijd erna. Zijn vrouw Anna Brouwer verloor hij bij de geboorte van zijn zoontje, tegelijk met dat zoontje overigens, op haar 37 jarige leeftijd. Hij hertrouwde en zijn tweede vrouw, Maria Maarschalk schonk hem nog een jongen in 1894, Anton genaamd.
De dochters van onze overgrootvader Jacob Nijssen, onder wie onze oma Coba van der Vlugt, werden meiden die krachtig aanwezig waren. Mee werken op het bedrijf.
En zorgen voor het gezin. Present! Met een hoofdverantwoordelijkheid voor het leiden van het gezin en het morele kompas. De Nijssens waren immers goed katholiek en zich bewust van de katholieke emancipatie-strijd.
Ik noem hier nog even de zussen van onze oma Coba: Anna, Catharina, Maria, Anna, Margaretha en Cornelia. Van deze zussen overleden vroeg: oudste zus Anna, Margaretha en Cornelia. Van haar broertjes nog Petrus en Gerardus. Gerardus werd 11 dagen oud, zijn moeder, Anna Brouwer, overleed na de bevalling.
Hoofdstuk 2: Van wie zijn wij er eentje? Waar komen we vandaan? (Vervolg 1)
Landbouwer Nijssen en zijn gezin.
Jacob Nijssen, de vader van onze oma van der Vlugt, was een landbouwer te Schoten. De bekroning op zijn landbouwbedrijf kwam in 1877, toen Jacob Nijssen een werf, een huis, Weltevreden genaamd, een schuur en een stuk land kocht aan de Rijksweg in Santpoort. In 1902 werd nog een huis ernaast gebouwd. (Nooitgedacht)
Eerder zagen we al dat Jacob Nijssen zijn vrouw Anna verloor op haar 37 jarige leeftijd. Eén van hun kinderen was onze latere oma Coba, de moeder van Vader Bart. Jacob hertrouwde en zijn tweede vrouw, Maria Maarschalk schonk hem nog een jongen in 1894, Anton genaamd.
De Nijssen-kinderen toen hadden sterke karakters en waren ook sterk op elkaar gericht. Ze hielden elkaar voor 100 % scherp en waren toch ook broers en zussen, die elkaar nooit in de steek zouden laten. Ze stuwden elkaar op. De zoons van Jacob,
de broers Jan, Jaap, Piet, Cor en Anton werden vanaf het begin van de 20e eeuw op hun beurt sterke tuinders, handelaren en bloembollenkwekers in Santpoort en omstreken. Toptuinders, ze stopten al hun talenten, al hun energie, al hun aandacht en veel van hun tijd in de kwekerij en de handel.
Ze deden me even denken aan de Haka, al waren de Nijssens helemaal niet zo luidruchtig. Ze vormden innerlijk en stil een topteam.
Zij waren de ooms van onze Vader Bart. Ze waren al vroeg in zijn leven een voorbeeld voor hem. Dat opgestuwd worden, dat trok hem. Hun manier van tuinbouw bedrijven had voor 100 % zijn aandacht. “Hoe doen ze het?” Hij wilde erbij kunnen, maar dat ging gewoon niet helemaal. De kinderen van de vijf ooms hadden leeftijden die ongeveer gelijk opgingen met die van onze vader Bart.
Ze waren neven en nichten van hem. Hij wilde er heel graag bijhoren, maar hij en zij waren zich er van bewust dat hij geen echte Nijssen was. Dat zat hem wel eens een beetje dwars. Hij verlangde er naar om daar bij te horen en tegelijkertijd wist hij dat er verschil was. Hij zat niet in hun team.
Tegenslag maakt ons sterker.
De ome Jan van vader Bart, één van de broers van oma Coba, hebben wij, de kinderen van Bart en Nel, nooit gekend omdat hij vroeg overleed, in 1932, een stuk voor de tweede wereldoorlog. Hij liet een gezin achter met, ik dacht, 10 kinderen. Zijn vrouw, tante Mien, moest alleen verder. Dat hakte erin bij de familie. Tante Mien en de kinderen werden niet in de steek gelaten, maar ze namen ook zelf op hun beurt het voortouw. Ze kregen veel respect.
De oudste zoon van die Ome Jan en tante Mien kennen we, als oud Santpoorters, goed: Giel Nijssen uit de Sabastraat in Santpoort, vroeger onze buurman-tuinder.De kinderen van Giel zaten bij ons op school.
Hoofdstuk 2: Van wie zijn wij er eentje? Waar komen we vandaan? (Vervolg 2)
Ome Anton Nijssen, jongste broer van onze Oma Coba van der Vlugt, Peetoom van onze vader Bart.
Het wonder is dat ik een bijdrage van oma Coba van der Vlugt-Nijssen’s jongste broer Anton heb gevonden op het internet. Deze bijdrage is uniek. Hij heeft er zijn memoires geplaatst. De tekst spreekt zo voor zichzelf dat het me het beste lijkt om een groot deel hier over te nemen. Hij is een familielid, en ook een landbouwer die zich de bloembollenteelt eigen maakt en later tot de top van de bloembollenkwekers in Nederland behoorde.
Anton, de jongste broer van onze Oma Coba van der Vlugt-Nijssen. De peetoom van Vader Bart. Hij woonde in Santpoort, oorspronkelijk op het adres waar ook zijn vader woonde: Op hun landbouwbedrijf aan de Rijksweg. We noemen hem verder Ome Anton.
In m’n verhaal hou ik zo mogelijk een zekere chronologische tijdsvolgorde aan. Zo zien we in dezelfde tijdspanne verschillende ontwikkelingen samen komen, dan wel langs elkaar heen gaan. Ontwikkelingen in de bollenteelt, in de families, en bij vader Bart natuurlijk.
Ome Anton brengt ons terug naar de ontwikkeling van de bloembollencultuur en is tevens ons familielid. Hij kwam in die bloembollencultuur nadat hij landbouwer was. Zijn vader kweekte al hyacinten toen Anton nog jong was. (na de eeuwisseling 1900) Anton kwam langzaam maar zeker in het netwerk van de Heeren in de Bollenstreek. En gingen verder op eigen kompas.
Hij werd een motor in de ontwikkeling van de bloembollenteelt, veredelaar, kweker, exporteur, werkgever en deed mee in de bestuurlijke organisatie van de bloembollencultuur. Visionair. Hard. Koersvast.
Zijn verhaal leidt ons ook weer terug naar het ontstaan van de bloembollencultuur: hij behoorde tot degenen die de sector definitief professionaliseerden.
Hier volgen enkele hoofdstukken uit zijn levensloop.
De ik-figuur wordt hier ome Anton. In blauw zijn zijn woorden!
Hoofdstuk 2: Van wie zijn wij er eentje? Waar komen we vandaan? Memoires van Ome Anton : (Vervolg 3)
“Beste Bloembollen liefhebber,
Mijn naam is Anton Nijssen. Ik zal hier enkele van de belangrijkste gebeurtenissen in mijn zaken - carrière memoreren en wel vanaf de tijd dat ik zelfstandig een bescheiden bedrijfje begonnen ben. Dit was in de winter van 1916 - 1917.
Ik stel mij voor dat aantekeningen uit het verleden vooral in latere jaren, voor het nageslacht, dus ook voor u, interessant kunnen zijn vandaar deze memoires.
Als ik nou met het begin wil aanvangen dan moet ik eigenlijk eerst nog even enkele dingen releveren van de tijd vóór dat ik in 1916/17 officieel "eigen baas" werd.
Geboren op 2 oktober 1894 woonde ik met mijn familie in dit huisje aan de Hoofdstraat in Santpoort.
Hoofdstraat, hoek Broekbergerplein te Santpoort
Later, tijdens mijn 9e levensjaar verhuisden we met het hele gezin naar dit nieuw gebouwde Woonhuis (waar ik op 8 jarige leeftijd tijdens de bouw de eerste steen legde) gelegen op 5 are land, aan de Rijksstraatweg nr. 297 te Santpoort. (nu rijksweg 297 te Velserbroek).
Rijksstraat weg 297 te Santpoort jaar 1902
De zg holkast is het glazen kasje midden rechts.
Het was namelijk zo, dat ik, in de jaren daarvoor, toen vader dus nog leefde ondernemingslustig was en pogingen deed om anders dan anderen te proberen iets tot stand te brengen.
Het broeien van bollen was toen nog zeer onbekend en vond nog slechts op zeer bescheiden schaal plaats, althans in Holland. Van wat er op dat gebied in het buitenland plaats vond had ik uiteraard helemaal nog maar weinig begrip.
In oud Schoten aan "De Delft" bij "de Kwakel" woonde een bloembollenkweker genaamd Wolf, deze Wolf, althans de zoon Wolf jr. genaamd Chris Wolf, had een broeikasje waarin hij in de wintermaanden bloembollen trok, in hoofdzaak Tulpen en Narcissen.
Met deze bloemen ging hij in Haarlem de bloemenwinkels af om ze te verkopen. Dit werk nu, trok mij bijzonder aan en ik vroeg aan mijn vader of hij het goed vond als ik dat op bescheiden schaal ook zou gaan proberen en wel in onze z.g. Holkast. Dit was een klein Serrevormig gebouwtje op de Zuidkant tegen de muur van de destijdse koestal gebouwd met een rechtopstaande glaswand. Deze "Holkast" (hollen en snijden zijn handelingen om hyacinten te vermeerderen jv.) werd tegelijk met het huis "NOOITGEDACHT" al in 1902 gebouwd en dat betekende dat mijn vader destijds als hyacintenkweker toch ook al goed "bij de tijd" was want zo'n Holkast was toen zeer modern. De geholde en gesneden hyacinten werden daar toen ook al op gaasbakken bewaard en er werd bij gestookt en de grond en de atmosfeer werd door waterverdamping vochtig gehouden.
In dit kleine Holkastje probeerde ik in de winter een bescheiden aantal Tulpen en Hyacinten tot bloei te brengen. De bollen kosten toen praktisch niets want het was oorlog in Europa (1914)
Mijn vader was het met het "geknoei" van mij niet erg eens want het koste alleen maar tijd en tijd was er toen nooit, tijd was er alleen maar omdat er gewerkt moest worden en daarmee uit. In werkelijkheid verloor ik geen werktijd want ik deed alles s'avonds en 's morgens heel vroeg of in het middaguur en ook zondags. Maar hoe dan ook, er werd lelijk gekeken en gemopperd, alhoewel ik ook wist dat hij, al wilde hij dat dan ook voor mij niet weten, toch wel waardering had voor mijn grote liefhebberij en mijn ondernemingslust.
Een stoomtram van het internet geplukt
Nu moesten echter deze bloemetjes die ik broeide ook nog verkocht worden en dat was een probleem, Voor bloemen waren toen in die tijd altijd nog maar, heel, héél weinig kopers te vinden, er waren slechts enkele bloemenwinkels en dan meestal nog maar met een kleine omzet, enfin ik moest het proberen, en vaak met lood in de schoenen stapte ik met mijn mandje met bloemen op de fiets of op de stoomtram en ging dan de winkels af in Haarlem, Overveen en Bloemendaal. Soms lukte het en raakte ik ze kwijt, maar soms ook niet en moest ik de rest, om de schaamte van me uit te laten lachen te voorkomen, zo stiekem, ongezien ergens weggooien.
Een kar van het internet…
Een ding wil ik ook nog vermelden: Er was destijds in Santpoort een bekende straatventer genaamd Jaap Musch. Het was een berucht type, meer berucht dan beroemd, vooral om zijn grote voorliefde voor jenever maar venten kon hij goed, meestal liep hij met haring of bokking, maar ook wel met appelen, peren of sinasappelen enz. Maar haring en bokking was zijn hoofdhandel. Op een keer stond hij, als gewoonlijk, met een flinke borrel op, met zijn haringkar midden in het dorp Santpoort, precies voor het huis van Dr. de Groot, de huisarts, en hij schreeuwde het uit, weg met Dr. de Groot, vreet mijn haring dan ga je niet dood!
Op een gegeven ogenblik kwam ik op de gedachten om deze geniale verkoper in te schakelen voor de verkoop van mijn bloemen, en dat lukte: Het ging als volgt: Oom Koos Maarschalk een wagenmaker van beroep, maakte voor geld en goede woorden op de handkar van Jaap Musch een glazen kapje. Bij Tabernal kocht ik kleine bloempotjes en plantte er dan in elk potje 3 Tulpjes. Tegen kerstmis waren dat dan Scarlet of witte Ducjes, in januari werden dat Thomas en Fred Moore, La Matala's enz. Uit het bos haalde ik wat groen mos en een Hes-seltakje voor decoratie en zo waren het leuke potjes en ging Jaap Musch er mede op pad en langs de huizen schreeuwend en wel. Dat ging dan natuurlijk op provisie-basis. Het resultaat was aanvankelijk niet onbevredigend, de moeienlijkheid was echter dat vriend Musch, zoals ik hiervoor al schreef, nogal "Dorstig" was en dan kwamen er moeienlijkheden bij de afrekening en klopte de "Kas" wel eens niet!
Plaatje van het internet, de stal ontbreekt hier helaas.
En zo kwam hij dan s'avonds na het venten met een flinke brom in, om af te rekenen, mijn vader en ik zaten dan meestal net in de stal onder de koeien als Jaap zijn bevindingen kwam vertellen. Nu, dat was dan natuurlijk goed fout, vader Jaap, die toch al niet erg in z'n schik was met mijn onderneming, barste dan ook los en dat waren dan wel kritische momenten.
Al deze dingen speelde zich af in de jaren 1914-1915. Wat ik ook nog in de zomer van 1914 aan idee kreeg was een klein foldertje op te stellen met een offerte in bloembollen en deze uit te sturen aan particulieren, villabewoners, inrichtingen, kloosters enz. De bollen waren toen waardeloos want het was overal oorlog en er was geen handel. Ik ging naar drukkerij Cornegge voor mijn offerte om te vragen wat het moest kosten, want je begrijpt, geld was er niet veel, en er moesten ook nog postzegels komen.
Het was in elk geval zo, dat ik fl.50,- te kort kwam. Deze fl. 50,- leende Oom Jaap (mijn Peetoom) mij, en ik startte en stuurde mijn offertes uit naar alle mogelijke adressen die ik maar vinden kon. Het resultaat ?. Ik kwam er zonder kleerscheuren uit en ik kon Ome Jaap z'n fl 50,- teruggeven maar er bleef niets over.
In 1916 is mijn vader dan gestorven. Dit kwam doordat mijn vader op 16 juni overleed tengevolge van een ongeluk met de stoomtram. Vader reed met een volbeladen wagen met groenten, waarbij ik hem met het laden geholpen had van het erf weg en hoorden en zag de tram niet aankomen en reed er zo onder. Na enkele uren van heel veel pijn overleed hij. en veranderde de situatie geheel.
Uit de website: http://www.antonnijssen.nl
Eventuele taalfouten heb ik laten staan, vanwege de authenticiteit JvdV




