16. Moeder Nel in december 1944
Toen opa en oma van Kimmenaede, de ouders van Moeder Nel, in Haarlem, aan de Amsterdamse Vaart, van de razzia hoorden stuurden ze meteen hun dochter Leny naar de Hyacinthenlaan. Ze had wat verpleegkundige achtergrond en was voor de duvel niet bang. Ze voelde zich altijd thuis bij Nel en Bart. Ze was op de dag van de arrestatie/razzia ook al te hulp gekomen. Ze is Bart nog gaan zoeken toen hij onderweg was in de gevangenenoptocht naar het station in Haarlem. Dwars door alle barrières was ze nog naast hem komen lopen. Met een onverschrokken houding naar de Duitse bewakers. Ze gaf hem nog brood mee. En beloofde hem voor zijn Nel te zorgen. Moeder Nel kon zich goed aanpassen aan tante Leny. Die was temperamentvol, deed wat ze nodig dacht, schuwde de ruzie niet, verloor wel eens de controle over zichzelf en had niet eens altijd een klein hartje. Een ziekenhuiszuster die paste in het beeld van de strenge zuster met enige willekeur. Zij voelde de opdracht om haar zus Nel te beschermen en te helpen. En die opdracht voerde ze uit ook! Nel kon goed omgaan met Leny en ze kon flinke aanvaringen omzeilen. Bovendien was Leny de beoogde kraamzuster en was ze in de gelegenheid om vanaf nu al goed voor Nel te zorgen.
De ouders van vader Bart keken de situatie aan en besloten een paar weken later om hun schoondochter Nel veilig onderdak te bieden. Op de Zandplaat, in de Haarlemmermeer. Ze hadden daar nog te eten, en ze konden Nel helpen, ze was tenslotte al vijf maanden zwanger. De oorlog was in de polder wat verder weg, al vlogen ’s nachts de bommenwerpers op weg naar Duitsland, laag over. Bij oma van der Vlugt zou ze in veilig handen zijn. Ze stuurden een koets met paarden en daar gingen Moeder Nel met de ongeboren baby en tante Leny naar de Vijfhuizerdijk 205, naar de Zandplaat, waar vader Bart vanaf zijn 8e was opgegroeid. Tante Leny kon weer naar huis, maar bleef de kraamzuster. Het zal half december zijn geweest.
Moeder Nel voelde zich niet altijd zo op haar gemak in het gezin van de van der Vlugten. Ze waren daar wat vormelijker, wat afstandelijker ook, leefden wat meer naar de regels. Moeder Nel was een echte stadse, een stedelinge. De winkels, het uitgaan, de mode, het terrasje op de Grote Markt, geen grote verschillen door de seizoenen, vaste (werk)tijden toen de oorlog nog niet alles in duigen had gegooid, duidelijk verschil tussen werktijd en vrije tijd, een beetje flaneren, een beetje keten met haar zussen en broers, dat hoorde bij haar. Ze had ook een mooi vriendinnengroepje met haar zus Rie en hun vriendinnen, de meisjes Peet.
Ze werkte overdag hard in de stoomwasserij de Vlijt aan de Amsterdamse Vaart 194. De wasserij van haar ouders. Die vroegen secure routinearbeid, de klanten wilden hun was mooi schoon terug, compleet, en geen spullen van iemand anders erbij. Fouten kwamen op het bordje van het personeel terecht, opa van Kimmenaede kon in toorn geraken. Het was opletten en doorwerken. Ondertussen, of na het werk in de wasserij, hielp ze haar moeder nog met het huishouden. De rest van de tijd was vrije tijd.
Nu was alles anders. Niet alleen door de oorlog en haar zwangerschap, maar ook voor haar persoonlijk, nu Bart weg was stond ze er weer alleen voor. Ze moest zich erop zien in te stellen. Ze woonde (tijdelijk) op 't platteland. Ver van de stad. Ze woonde in bij een familie die thuis was in de plattelandsgewoontes. Moeder Nel wist niet zo goed wat ze daar tussen de regels moest begrijpen. Ze was er onzeker over, miste ook haar eigen leven. Maar ze was blij met de veilige situatie en met de zorg en de bescherming die werd geboden. De opdonder die ze had opgelopen toen de Duitsers Bart gevangen kwamen nemen gingen wat naar de achtergrond als ze zich concentreerde op de naderende geboorte en haar verantwoordelijkheden daarbij. Ze wilde een heel goede moeder zijn en zag het als haar taak om haar baby top op de wereld te zetten. Oma van der Vlugt hield haar goed in de gaten en zorgde ervoor dat ze op krachten bleef, ondanks de hongerwinter.
Die baby werd, meen ik, ’s nachts geboren. Op 21 maart 1945. De omstandigheden waren niet gemakkelijk. De bommenwerpers van de geallieerden vlogen inmiddels af en aan en de Zandplaat lag op de route. De Duitsers gaven zich niet gewonnen en er vonden soms luchtgevechten plaats boven de Haarlemmermeerpolder. Er moest goede verduistering zijn, zodat de gevechtsvliegtuigen en de bommenwerpers de huizen niet zouden kunnen spotten. Ik heb de indruk dat er ook geen licht meer aan kon of mocht ‘s nachts. ’t Verhaal gaat dat de geboorte plaats vond bij het licht van een fietslantaarn: dynamo aan het achterwiel, de fiets op de standaard achter, zodat het wiel vrij kon draaien en dan op het zadel zitten en zachtjes doortrappen. (Zo een ouderwetse standaard die je nog wel op een opoefiets ziet?) Figuurlijk gesproken kun je zeggen dat de weg naar 't licht leidend was voor de baby. Tante Leny was de kraamzuster. Super tante Leny! Nog een stadse in de polder. Tante Coby zorgde voor het licht vanaf de fiets, oma van der Vlugt was de voorzitster van het geboorte-comité, klaar om tegenvallers het hoofd te bieden. Aan het begin van de nacht werd ik geboren. Goed gedaan Nel! Nog voel ik dankbaarheid voor de mensen die daar waren, voor ieder eigenlijk. En op onze moeder van toen kunnen we supertrots zijn. Ze deed het! Beter kon t niet! Na de geboorte dronk de baby eerst niet zo goed bij haar. Ze schrok ervan. Borstvoeding was ideaal in de tijd na de hongerwinter. Ze had zich zo op haar (komend) moederschap geconcentreerd, en nu had ze misschien niet genoeg moedermelk om de baby zelf te kunnen voeden. Ze wilde per se een goede moeder zijn. Dat was voor haar regel 1.
Het tij keerde. Ongeveer een week na de geboorte was vader Bart terug. Verwilderd, onder de luis, sterk vermagerd en nog belast door alles wat hij had meegemaakt in Duitsland en daarna. Maar thuis! De aanwezigheid van oma van der Vlugt begon een dimensie te krijgen. Ze was specialist in iemand op krachten brengen. Haar kunde als nabuur maakte dat ze wist welke boer biest had en bij wie melk en de beste andere boerenproducten te vinden waren. Zelf hadden ze nog kippen, eieren waren voorradig. Ze stuurde haar dochters op pad om de beste producten op te halen. En zag er persoonlijk op toe dat er flink gebruik werd gemaakt van de gezonde kost. Zo kwamen moeder Nel, vader Bart en de baby op krachten. Na een tijdje dronk ik bij moeder Nel als de beste. Begin 1946, na negen maanden, vond ze het welletjes. “Je kreeg tandjes, dat ging zeer doen”.
Herstellen van de gebeurtenissen van de afgelopen maanden was geboden. Zowel Nel als Bart hadden flinke schade opgelopen.
Aan de Hagelingerweg in Santpoort moest dat een beetje vorm krijgen. Omdat de oorlog voorbij was verdween het directe gevaar van de oorlog. Maar de oorlogsherinneringen waren niet zomaar weg. We herinneren ons nog de geluiden van de nachtmerries van Vader Bart die door t huis gingen. En ook dat vader Bart nooit in een rij ging staan. Dat lukte hem niet. En als we bijvoorbeeld bij V en D in Haarlem waren, met zijn zes of zeven verdiepingen dan was hij onrustig en scande hij de vluchtwegen. Toen de eerste Duitsers hier weer op vakantie kwamen scande hij ze, was het zo een nazi-eerste-klas of juiste één van die goede Duitsers die hij ook had meegemaakt. Als wij ons ongenuanceerd uitlieten over die “rot-Duitsers” dan greep hij daarop in. Hij leerde ons dan dat je dat niet zo kon zeggen, hij had ook goede Duitsers ontmoet.
Ontroerend was ook als hij iemand tegenkwam die ook in het kamp had gezeten. De kans dat hij zo iemand tegenkwam was best wel aanwezig omdat hij daar was met zo veel medegevangenen uit de buurt. Ze praatten dan niet veel, maar de ontmoeting was bijzonder en als die persoon dan weer “voorbij” was mompelde hij tegen ons, “ja, die heeft ook in het kamp gezeten”.
17. Nico Nijssen is ook terug
Bijzonder was na de oorlog ook nog de verhouding met Nico Nijssen, de zoon van ome Anton, en dus een neef van Bart. Nico woonde met zijn gezin in het voormalig ouderlijk huis van zijn vader aan de Rijksweg in Santpoort, naast het kantoor van hun grote bedrijf. Nico was bij ome Anton degene die voor de nieuwe soorten, de veredeling, moest zorgen. De veredelaar. Hij had daar de voorwaarden toe. Hij was ervoor vrijgesteld, had zich erin verdiept. Hij kende de temperatuurbehandeling die nodig was om bloembollen vroeg te laten bloeien, had de connecties en ze hadden een verwarmde kas. Nico was een man van weinig woorden. Met, denk ik, veel gedachten, de Nijssens niet vreemd. En geduld. En dat kwam wel uit bij dat veredelen. Monnikenwerk. Toen vader Bart, zonder al die faciliteiten, met Apricot Beauty kwam, begin 50er jaren, ontstond er weer connectie tussen Nico en Bart. Vader Bart had hem gevraagd of hij ook wat zou willen kijken naar de mogelijkheden van zijn nieuwe tulp die nog nauwelijks bij iemand bekend was. Bij tulpen is het bijvoorbeeld een extra kwaliteit als hij met kerstmis in bloei kan worden gebracht. En (broei)proeven waren ook een kwaliteit van Nico Nijssen.
Dan gebeurde het dat Bart in de winter op een moment op zaterdag of zondag op de fiets stapte, Japie achterop, naar het bedrijf van Ome Anton reed en bij Nico aanbelde. “Kunnen we even naar de tulpen kijken?” Nico maakte op mij een beetje een gesloten indruk, iemand die in zijn eigen wereld leeft. Je zag hem dan schakelen, dat kostte hem moeite. Maar dat schrok Bart helemaal niet af. “Kom zo”, zei Nico dan. En Bart liep dan alvast naar de kas. Dan kwam Nico even later ook naar de kas, en dan ontdooiden ze samen met een goed gesprek over de tulpen in de kas. Daar waren ook de soorten bij die door Nico veredeld waren en nieuw op de markt konden komen.
Ze liepen dan langzaam langs de tafels met bloembollen, met hardop observaties en tekst over de verschillende soorten. Tulpenpraat. Heel lang praten over een paar eenvoudige tulpen, met overgave, zowel over het geheel als over de details van elk soort. Een bijzondere taal, tulpentaal. Ze werden er allebei blij van.
Uiteraard vroeg Bart dan ook even naar zijn Apricot Beauty. Daar liepen ze dan heen. Als hij in bloei aan het komen was dan konden ze er toch een minuut of tien over praten. Welke kwaliteiten, welke niet, hoe met Kerst in bloei te krijgen enz. Zo een pot tulpen kon op maandag geshowd en gekeurd worden op de bloembollenbeurs in het Krelagehuis in Haarlem. De beoordeling door kenners en bestuur van de bloembollensector werd dan ook gepubliceerd in het vakblad voor de Bloembollencultuur die elke week uitkwam. In de kas bij Nico werd vader Bart dan even stil. De pot met Apricot’s kon wel geshowd worden maandag, maar “Hoe kon hij zo een pot tulpen meenemen naar de beurs in Haarlem?” Met de bus met zo een pot tulpen was niet alles en op de fiets toch ook een dingetje. Misschien dan toch met de bus! Maar halverwege die gedachten zei Nico dan: “ik kan ze maandag wel even voor je meenemen naar de beurs, ik heb zelf ook nog een paar potten die er heen moeten. Ik maak ook wel even een naamkaartje erbij voor je”. Ik voel nog de opluchting dan bij vader Bart. Nog even een stukje door de kas, een afscheidje en weer op de fiets naar de Hagelingerweg. Pffff. Maar ook wel mooi! Dank je wel Nico!
Apricot Beauty hielp Bart wel om de oorlogsherinneringen meer onder controle te brengen. De tijd verstreek natuurlijk ook. Het klappertje dat de verkoop van de tulp op leverde hielp om schulden af te lossen, en nog wat te investeren en nog om iets leuks te doen. Vakantie was er niet bij ons, maar dat dagje naar Artis met zijn allen was toch onvergetelijk. Het zo gewenste succes zorgde voor rehabilitatie en motivatie. Het juichen en springen in de keuken op de dag van de verkoop van de eerste Apricot Beauty’s was denk ik het moment waarop bij Nel en Bart de voortdurende aanwezigheid van de oorlogsherinneringen meer naar de achtergrond ging.
18. Nico Nijssen, vervolg
“Toeval bestaat niet” is een algemeen bekende uitdrukking. Een aantal jaren geleden vond Rita in een plaatselijke boekwinkel zomaar een bijzonder boekje. Ze riep me erbij en ik had zoals ik dat wel vaker heb, meteen reserves. Een plaatselijke boekhandel in Zoetermeer, zo een bijzonder boekje…………… Maar ze hield vast en ik bladerde er door…………Nico Nijssen…….. De interesse meteen voor 100 % gewekt en niet voor niets. Een boekje over veredelen, de hoek van het bollenberoep waar ook vader Bart zo graag een plaats in wilde hebben. En zijn neef en oorlogsmaat werd daarin persoonlijk en vakmatig geïnterviewd. Een artikel over meerdere pagina’s. Sorry Rita, voor niks reserves gehad. Het was een topboekje voor mij.
Het ging over veredeling van tulpen. Er werden hoofdstukken gewijd aan bollenkwekers die succes hadden gehad met veredelen van tulpen. Een interessegebied van vader Bart. Hij droomde van een rol in die veredeling. Met Apricot Beauty en Bestseller had hij nu de ervaring en hij droomde van meer.
In het boekje stonden persoonlijke verhalen, waarin succesvolle veredelaars vertellen over zijn of haar ervaringen. En over de resultaten.
Dat dromen hoefde Nico Nijssen niet te doen. Hij kreeg van zijn vader na de oorlog de functie van veredelaar, inclusief de faciliteiten. Tijd, ruimte, grond, financiën, en de warme belangstelling van zijn vader, (ome) Anton Nijssen, (de peetoom van vader Bart).
Het hoofdstuk wat aan Nico is gewijd is te mooi om weg te laten! Het laat de wereld zien waarnaar Bart altijd verlangde. Hier komt het, letterlijk uit de tekst overgenomen:
19. Monte CARLO
Met heldere stem neemt ze de telefoon in de keuken op. “Met Nijssen, Velserbroek.” Sinds 1948 is Corrie de echtgenote van bloembollenkweker Nico Nijssen. In kwekerskringen is het gebruikelijk om je naam met je woonplaats erbij te zeggen als je de telefoon opneemt. Alleen al in de streek Kennemerland wonen zeker 150 mensen met dezelfde achternaam Nijssen. Een neef runt het nabijgelegen tuincentrum en weer een ander familielid woont ook vlakbij met zijn bloembollenbedrijf. “De Nijssens, het is net onkruid” zegt Corrie. “Het komt overal op”.
De oorsprong van het bedrijf van de vader van Nico gaat terug tot 1877, toen grootvader Jacob Nijssen een huis, een werf, een schuur en een groot stuk land kocht aan de Rijksweg in Santpoort. In1902 werd “Nooitgedacht” gebouwd. Het ernaast gelegen huis, ook van de familie heette Weltevreden. Zoon Anton nam, toen vader Jacob in 1916 overleed, de zaak over. Met de aankoop van grond verdubbelde hij de omvang van de kwekerij. Zijn broer Piet werd een paar jaar later zijn medevennoot. Tot 1941 werkten zij samen, toen gingen de broers ieder hun eigen weg. Er kwamen twee bedrijven Nijssen in Santpoort. Beiden kregen kinderen die in de zaak meewerkten.
Van jong af ging Nico met zijn vader mee naar de beurs in Haarlem. Het was met recht een florerende zaak, voor de deur lag een keurig onderhouden bloemperk en er was voldoende parkeergelegenheid voor de klanten. In de jaren vijftig prijkt trots, in verschillende talen, op het briefpapier:
Nico: "Het handelscentrum lag destijds in Haarlem, met het Krelagehuis als middelpunt: “de Beurs”. Volgens de mode van die tijd reden sommige kwekers in grote Amerikaanse wagens. Op maandagochtend troffen ze elkaar en reden hun vrouwen voor het gemak mee, die gingen naar de markt. Sommige kwekerijen bestaan niet meer, zoals Lefeber uit Hillegom. Overdevest zit echter nog steeds in Wassenaar en van den Berg in Breezand. Het zijn bekende achternamen in bollenland, verbonden aan tulpen die het nog steeds goed doen of die inmiddels op hun retour zijn, door degeneratie of simpel door het feit dat andere soorten belangrijker werden."
Nico Nijssen bewoont nog steeds het huis van zijn voorouders aan de Rijksweg. Vroeger een landelijke weg, tegenwoordig raast het verkeer langs over de N208. Als ramen en deuren gesloten zijn, nauwelijks hoorbaar. Buiten is het verkeerslawaai oorverdovend. De autolampen weerspiegelen in het glas van de ingelijste foto’s. Een smalle ventweg loopt langs het huis. Aan de overzijde van de straat staat een Shell tankstation. De weg is de scheiding tussen Velserbroek en Santpoort.
Nico Nijssen’s bekendste tulpen zijn voor de eeuwigheid vastgelegd en vertegenwoordigt in felle kleuren op een schilderij dat in de huiskamer hangt: de scharlakenrode Stockholm, de gele Monte Carlo en de rode geel gerande Thule.
Hij wrijft met licht bevende handen over het Perzisch kleedje op tafel. Met de Monte Carlo heeft Nico 1 van Nederlands belangrijkste tulpen op zijn naam gezet. “Het is een hele zwierige bloem en nog steeds een geweldige bollenmaker. Zij groeit goed in de kas en staat lang op de vaas.”
Eind jaren tachtig van de vorige eeuw zette hij een punt achter zijn loopbaan als veredelaar. Toch voelt Nico Nijssen zich nog steeds bij het bollenvak betrokken. Als in 2003 menig kweker zich het hoofd op hol laat brengen door de stijgende prijzen die de nieuwe soorten opbrengen, schudt hij afkeurend het hoofd. “Het kan niet, geloof me, ze zouden die lui hun kop eraf moeten trekken, ze maken het vak kapot, ze vragen veel te veel en ze krijgen het nog ook”.
De statistieken houdt hij nog steeds nauwkeurig bij. In het donkerbruine dressoir ligt het archief uit zijn werkzame leven opgeslagen, alles binnen handbereik. Een bruin schriftje uit 1962 ligt op tafel, het papier is vergeeld. In een gelijkmatig handschrift heeft hij het aantal verkochte tulpen opgeschreven. “Kijk hier, geleverd aan Piet Bakker uit Enkhuizen, die noemden we ook wel tulpenPiet. Piet Bakker heeft nog de roze mutatie uit de tulp Copland geïntroduceerd, die tulp deed het alleen maar goed op zandgrond. Ik verkocht 25 kilo Mirage aan hem voor zestig gulden de kilo.
Dat waren behoorlijke prijzen hoor, voor die tijd. Honderden schriftjes heb ik. Iedere dag noteerde ik wat voor weer het was geweest en vervolgens ging ik het hele jaar rond. Dat heb ik vanaf mijn zestiende gedaan, het moment dat ik begon met veredelen. Ik dacht dat de weersomstandigheden van invloed zouden zijn op het kruisen. Nou, dat was niet vol te houden, later deed ik het per week. Als er in de wereld wat aan de hand was schreef ik dat ook op. Als een tulp een naam moest krijgen had ik altijd een voorraadje. Bijvoorbeeld toen beroemde schepen de haven van IJmuiden aandeden, als de Stentor en de Hector. De Thule heb ik genoemd naar een plaats in Antartica. Ik heb nooit tulpen naar mijn vrouw of kinderen vernoemd.
Er kwam op een gegeven moment de vraag of ik een tulp Pinkeltje wilden noemen. Dat heb ik geweigerd. Pinkeltje klinkt niet.
Ik ben van 1920. Als jonge jongen ging ik al met mijn vader naar de beurs. De oude Bernard Rijnveld, eigenlijk heette hij Abraham, was een beroemd veredelaar uit Hillegom. Daar keek ik huizenhoog tegenop. In de lente zette hij altijd een advertentie in het vakblad, met de uitnodiging om naar zijn zaaisels te komen kijken. Hij adviseerde mij om heel veel kruisingen te maken. Kijk maar wat er van komt. En dat deed ik, maar achteraf bekeken is dat niet goed. Zo heb ik wel eens de late tulp Generaal Ritsema gekruist met Pink Trophy. Oom Piet had wel in de gaten dat ik geïnteresseerd was in veredelen. Dat gekruis beviel hem totaal niet. “Ga toch weg met die rommel” zei hij steeds. Maar als je tegenwerking krijgt, ga je door,…….ik tenminste wel. Toen is Piet (broer van oma van der Vlugt en broer van “ome” Anton Nijssen) er in 1941 uitgestapt. Vanaf dat moment waren er twee firma’s Nijssen in Santpoort. Ons bedrijf was hier gevestigd, bij het ouderlijk huis, daar wonen we nog steeds”.
De Maltezer Leeuwtjes Boy en Speedy lopen keffend in de gang. Daar hangt een afbeelding van de opening van de Velsertunnel in 1957 en het huwelijksportret van Corrie en Nico uit 1948. Boven de kamerdeur hangt in fijne steekjes een borduurwerkje met de tekst: “In de rechtszaal van het geweten wordt voortdurend zitting gehouden.”
Corrie brengt de hondjes 1 voor 1 naar boven, daarna schenkt ze in de keuken koffie in porseleinen kopjes. “We wonen hier sinds ons trouwen. Mijn schoonmoeder heeft het niet gemakkelijk gehad. Ze kreeg twee keer een tweeling, haar man was voortdurend op reis. Zij kon de jongens eigenlijk niet aan. Nico en zijn broers zijn toen op kostschool gegaan in Medemblik. En daarna naar de tuinbouwschool in Beverwijk, dat was de enige katholieke school in de omgeving”.
Nico Nijssen: “veredelen is een loterij, echt waar. Kort na de oorlog maakte ik de Monte Carlo kruising. In de oorlog heb ik in een kamp gezeten, kamp Rees. Ik kwam in 1945 terug, in december. Het was Sinterklaasmiddag. Ik woog nog maar 70 pond en kon amper lopen. Het eerste wat ik deed was kijken naar wat er van mijn zaailingen terecht was gekomen, dat wel. Mijn vader had een baasknecht aangenomen die de zaak draaiende moest houden. Het was een warme zomer geweest en door de hitte waren alle hyacintenzaailingen in elkaar gezakt. Dat was een verschrikkelijke klap. Kon ik weer helemaal opnieuw beginnen met het veredelen van hyacinten".
In de schriftjes ging het over veredeling van tulpen. Er werden hoofdstukken gewijd aan bollenkwekers die succes hadden gehad met veredelen. Er stonden persoonlijke verhalen in, waarin een succesvolle veredelaar vertelde over zijn of haar ervaringen. En over zijn resultaten.
Dat dromen over een toekomst in het veredelen hoefde Nico Nijssen niet te doen. Hij kreeg van zijn vader na de oorlog de functie van veredelaar, inclusief de faciliteiten. Tijd, ruimte, grond, financiën, en de warme belangstelling van zijn vader, het was er allemaal.
Dit hoofdstuk, dat aan Nico is gewijd, vond ik te mooi om weg te laten! Het laat de wereld zien waarnaar Bart altijd verlangde.
20. Stedelinge af
Toen Moeder Nel op de Hagelingerweg kwam te wonen werd ze definitief stedelinge af. Ze werd de echtgenote van een agrariër, met een klein stukje grond in pacht. Ze had zichzelf een taak gesteld: Goed voor haar man en kind zorgen, een gezin stichten en een goede katholieke moeder en echtgenote worden. Ze wilde er supergoed in slagen, ze wilde dat ook aan haar gezin en haar man geven. Dat zat er diep in. Bij de moeilijke dingen en de ontberingen, die er volop kwamen, vond ze troost in haar geloof, met name bij de Heilige Maagd Maria. Op werkdagen kwam ze zichzelf tegemoet door de radio lekker hard te zetten en heerlijk te genieten van b.v. de Arbeidsvitaminen terwijl zij haar huishouden deed, t mannetje buiten aan t werk was en de kinderen boven de vier naar school. Dat huishouden ging haar goed af. Ze zag het als haar werk. Ze had haar rooster. En ze had haar dagindeling in de hand. Het moet gezegd dat ze in haar huishouden de vooruitgang heeft mogen meemaken. Toen de kinderen nog klein waren was de wasdag bv een uitdaging.
Niemand hoefde de dochter van de wasserijbaas van wasserij “de Vlijt” te vertellen wat de was doen was. Haar eer te na. Ze begon op zondagavond met de was verzamelen en uitkoken in een grote ketel met groene zeep op het fornuis. De volgende ochtend vroeg werd de was dan geboend met zeep en een borstel op een wasplank. Daarna ging de was door de wringer en dan kon het worden opgehangen aan de waslijn buiten om te drogen. Als de was droog was kon hij worden binnengehaald. Daarna werd de was nagekeken op reparatie, dan de strijk, en het opvouwen en dan de kast weer in. ‘s Avonds werd de kapotte textiel gerepareerd. Bij de radio die vaak wel een leuke avond produceerde. Alle kinderen een beetje aan het spelen, maar zachtjes, want de radio … Vader Bart naar de bloembollenbeurs en daarna nog even een borreltje drinken in Haarlem, moeder Nel nog bezig met de afhandeling van de was, kinderen langzamerhand naar bed, het leverde haar een vorm van trots op als de dag tot een goed einde was gekomen. “Zo, dat is dat”. Ze was zich ervan bewust dat de buurvrouwen met schuin oog naar elkaar keken wie er deze week weer in slaagden om bij de eersten te zijn die de was aan de lijn hadden. Immers de was droogde buiten aan de lijn en dat kon iedereen zien! Ze was ervan overtuigd dat ze de competitie gemakkelijk aan kon. Ook al was ze vaak bij de vrouwen die laat overgingen op de modernere dingen, ze heeft de vooruitgang op het gebied van de was nog mooi meegemaakt. Heerlijk, zeker ook die centrifuge. Ik denk dat ze zo elke dag wel een taak op haar agenda had staan.
Een kleine moeilijkheid was wel dat Vader Bart en zij allebei dachten dat vader Bart moest sturen en dat zij moest dienen. Dat was hun kompas. Een beetje lastig, want vader Bart nam dat soms wel eens te letterlijk en moeder Nel eigenlijk ook. Zo deelde Bart het rooster in. In de zomer ’s morgens om half negen tweede ontbijt. Het eerste ontbijt was al op t moment dat t licht werd. Half elf koffie buiten. Half 1, warme maaltijd, drie uur thee, zes uur maaltijd. Bij de korte pauzes werd meestal ook nog even gekeken of er nog “brandstof” bij moest. Bordje pap, geklutst ei, stukje ontbijtkoek. Heel soms kwam het voor dat moeder Nel het rooster net niet haalde. Dan moest hij haar, vanwege hun posities wel even corrigeren. In nogal duidelijke taal. Dat deed haar openbaar zeer. Voor ons kinderen best wel pijnlijk. Waar ging het helemaal om? Heel soms kwam het voor dat moeder Nel een week niet helemaal uitkwam met het boodschappengeld. Dan werd ze ook gecorrigeerd. Blijkbaar waren ze het wel samen eens over de code, de man stuurt, de vrouw dient. Maar als het tot een correctie kwam deed het toch zeer. Wonderlijke code!
Het moet gezegd, nu het gezin groeide in aantal werd het werk voor moeder Nel er wel zwaarder op. Ze moest haar aandacht verdelen, haar eigen werk doen, de nodige aandacht aan de kinderen geven en mooi omgaan met de katholieke gezinnen om haar heen. De kleding voor iedereen was een taak voor haar. Daar hoorde ook bij dat ze de kleren klaarlegde voor de kinderen, voordat ze naar school gingen. En deze kleren repareerde als er dingen kapot waren, en eens verving als er een paar centen beschikbaar waren. “Bart, heb je wat geld voor mij, Marijke heeft bijna geen jurkjes meer …
In het begin had ze in haar hoofd om zelf kleding te maken voor het gezin. Een machtig idee, ze ging er vol voor. Dan was haar aandacht even wat meer bij de naaimachine dan bij de kinderen om haar heen. Die, wij, grepen dan de kans om “uit het patroon te fietsen.” We gingen een eigen leven leiden, dat was te veel van het goede en bij slecht weer waren alle kinderen binnen en dan liep het uit de hand, we waren even niet meer te corrigeren. “Ik roep je vader” riep ze dan uit en als we dan nog niet reageerden deed ze dat ook. Wij kinderen konden dan niet meer terug. Het kleine onheil was al geschied. Dat Bart niet aan zorgvuldig onderzoek deed voordat hij berispte en eventueel strafte wisten we wel. Na de roep van moeder Nel kwam Bart even binnen, uit zijn werk, met een vastberaden hoofd en luide stem. “T moest afgelopen zijn” enne voor de zekerheid “dat t helemaal klaar moest zijn!” Dan rausde hij even door de kinderen heen. Hij greep er een paar beet, tilde ze een beetje op en liet dan weer los, zodat we op de grond vielen, onderwijl met donderende stem, roepend dat het nu “helemaal afgelopen moest zijn” en dat hij later aan Moeder Nel zou vragen of we rustig waren geweest. Nou dat lukte dan wel. We schrokken uit onze verveling, hadden allang spijt dat we dit over ons hadden afgeroepen, deden aan zelfonderzoek, wie had de ander meegesleept, en troosten elkaar. Daarna gingen we heel rustig spelen, onder het prettige geluid van de (hand)naaimachine. Later zei vader Bart “dat je er soms even met de grove stoffer doorheen moest gaan”.
Van links naar rechts: Dick, vader Bart, Marijke, Jaap, Nel, Moeder Nel met Coby.
De gordijnen waarvoor we hier zitten hadden we gekregen van de familie van ome
Joop en tante Gaath Olijkan. Ze namen ze niet mee naar Nieuw Zeeland. Wollen gordijnen!!
We hadden heel lang geen douche en eigenlijk wisten we niet wat we misten. Het was onszelf wassen met een kleine “w”. Een beetje aan de kraan in de ouderslaapkamer of in de keuken. Koud water natuurlijk, soms zette moeder Nel wat water op, zodat ‘t lauw was. Het ging wel, maar toen we een douche kregen …
Het was mooi voor moeder Nel en voor ons allemaal, toen we een douche kregen. Ome Willem Tervoort kon hem voor ons aanleggen. Ik denk dat het in 1957 zover was. Nu hoefden we niet meer in de keuken te wassen of boven in de slaapkamer van vader Bart en moeder Nel. Met alleen koud water. We kregen een geiser in de keuken en een lekkere douche boven. Vooruitgang. De gasmeter leverde toen nog gas als je er maar voldoende dubbeltjes in deed. Voor de jonge lezers, een dubbeltje was toen een muntje van 10 cent. Soms stond iemand onder de douche, terwijl de muntjes in de gasmeter op raakten, dan stond je ineens onder koud water. Je hoorde dan luid en duidelijk door het hele huis: “dubbeltje” schreeuwen. Dan moest iemand er weer snel een dubbeltje in doen.
Een bijzondere plek in huis was de kelder. Daar werden de dingen bewaard die konden bederven. Maar dat lukte niet altijd. Toch niet koel genoeg. Een zorg voor haar. Misschien een koelkast?
Een apart en levendig onderdeel van haar bestaan werd bepaald door de leveranciers. De bakker, de slager, de groenteboer, de kruidenier, de melkboer, het ziekenfonds, de begrafenisverzekering, de voetbalvereniging en wat al niet meer, iedereen kwam aan de deur. Die leveranciers en ook zijzelf beschouwden haar als klant, als inkoopster. Een levendig onderdeel van haar bestaan. Met altijd wel een praatje en een vrolijk momentje. De leveranciers leefden ook mee met het wel en wee van hun klanten. Van nabij maakten ze mee dat er mensen ziek waren, dat er kindjes geboren werden, dat er mensen gingen trouwen, dat er feest was en natuurlijk ook de droevige momenten, bv als er mensen ernstig ziek waren en kwamen te overlijden. Heel bijzonder. Die gevoeligheden werden dan gedeeld aan de voordeur. Marketing was nog niet uitgevonden, maar dat hoefde ook niet meer. Het werd zo al toegepast.
De katholieke moeders uit de buurt en uit de parochie vonden elkaar wel. Veel gemeenschappelijke gevoelens, zonder woorden was het al fijn samen, even een lekkere babbel was ook heerlijk.
Stof genoeg. Met de grote gezinnen hadden de moeders natuurlijk wel een zwaar leven. Alle vrijblijvendheid was eruit. Een 24 uurs dienst. Voorleven. Het huishouden runnen. Aandeel nemen in de relatie met de man. Zorgen voor en over familieleden eventueel. Altijd troost op voorraad hebben!
De katholieke moeders kwamen elkaar op straat tegen, in de winkels, op de school, in de kerk en via de kinderen. Altijd een hartelijk moment en woorden van meeleven en troost. Dat gold voor binnen de zuil. Buiten de zuil was de saamhorigheid minimaal, zo weinig als mogelijk. Gescheiden werelden. Vormelijk en koel.
St. Engelmunduskerk Driehuis
De moeders stonden in de r.-k. kerk ook in ere omdat ze de grote gezinnen mogelijk maakten. De grote katholieke gezinnen waren een onderdeel van de katholieke emancipatie in en na de godsdienstoorlog met de protestanten.
Een avondje naar Heemstede, naar haar zus Rie was wel helemaal heerlijk voor haar. Met de bus heen, een paar uurtjes bij Rie en Tinus, met de bus weer terug.
Heel bijzonder was dat ze, op de vraag hoeveel kinderen ze had, altijd zei: 7 kinderen en twee miskramen. Daaraan voelde je hoe een liefdevolle moeder ze was en dat de miskramen haar in rouw hadden gebracht. De kindjes waren er geweest voor haar. Ave Maria was haar lievelingslied.
Ave Maria - Schubert





-1.jpg)



Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Opmerking: Alleen leden van deze blog kunnen een reactie posten.